Oefening: De terugblik: wat is er nog levend? (30 minuten, in een team)
Kies een verandering die al een tijdje geleden is ingezet. Bespreek eerlijk: wat doen we nog steeds anders dan voor de verandering? Wat is er teruggevallen in het oude patroon? Wat heeft het levend gehouden — of juist niet? Dit oefent het bewustzijn dat borging over gedrag gaat, niet over procedures.
Oefening: Signalen van de werkvloer (45 minuten, in een team)
Iedereen schrijft op: wat klopt er niet meer in onze werkwijze? Wat zou beter kunnen? Wat zeggen we onderling maar brengen we nooit in? Hang de post-its op en zoek samen naar patronen. Bespreek dan: waar moeten deze signalen naartoe? Wie pakt dit op? Dit oefent eigenaarschap en het doorgeven van terugkoppeling.
Oefening: Ons reflectiemoment ontwerpen (30 minuten, in een team)
Bespreek: hoe reflecteren wij nu op ons werk? Is dat genoeg? Ontwerp samen een kort, vast reflectiemoment — wekelijks of tweewekelijks. Wat is de vaste vraag? Wie leidt het? Wat doen we met de uitkomsten? Maak het concreet en klein, zodat het echt gebeurt.
Oefening: Protocol vs. praktijk (30 minuten, in tweetallen of een klein groepje)
Pak een bestaand protocol of werkafspraak. Vergelijk het met hoe jullie het in de praktijk doen. Waar zit verschil? Is dat verschil een probleem — of juist een verbetering die nog niet is vastgelegd? Bespreek: wat moet worden aangepast? Wie doet dat? Dit oefent het meegroeien van werkprocessen met wat teams leren.
Nudges (dagelijkse zetjes) om de principes van dit blok te oefenen
- Stel de borgingsvraag.
Vraag jezelf aan het einde van een werkdag: “Wat doen we vandaag anders dan een jaar geleden — en waarom?” Schrijf het op. - Benoem wat niet meer klopt.
Zie je iets in de werkwijze dat niet meer past? Zeg het hardop — in een overleg, tegen een collega. Niet klagen, maar signaleren. - Maak reflectie kort maar vast.
Sluit een teamoverleg af met één vraag: “Wat hebben we deze week geleerd?” Twee minuten, geen grote discussie. - Vraag: “Wat doen we hier eigenlijk mee?”
Als er feedback of signalen zijn binnengekomen — check of er iets mee is gedaan. Zo niet, benoem het. - Vier een aanpassing.
Is er iets veranderd op basis van wat het team heeft teruggekoppeld? Benoem dat expliciet. Het laat zien dat terugkoppeling zin heeft. - Check: doen we dit omdat het helpt — of omdat het zo hoort?
Kies één vaste werkwijze en stel die vraag. Geen grote actie, alleen bewustzijn. - Geef een signaal door.
Heb je fiets opgemerkt dat beter kan? Breng het in bij de juiste persoon of plek — vandaag nog, hoe klein ook. - Vraag een collega: “Wat zou jij anders doen?”
Niet als evaluatie, maar als echte vraag. Luister naar het antwoord zonder te verdedigen. - Sluit af met: “Wat nemen we mee?”
Eindig een overleg of werkbespreking altijd met deze vraag. Zo wordt leren een gewoonte in plaats van een toevalligheid.
