Oefening: Jouw ingang in de verandering (30 minuten, individueel of in duo)
Beantwoord deze vragen voor jezelf: Wat vind ik belangrijk in mijn werk? Hoe sluit de verandering aan op wat ik al doe of al geloof? Waar zie ik een plek voor mezelf in deze beweging? Deel je antwoorden met een collega. Bespreek: wat heb jij nodig om echt aan te haken — niet omdat het moet, maar omdat het klopt?
Oefening: De diversiteit in beweging (45 minuten, in een team)
Laat iedereen op een post-it schrijven hoe zij bijdragen aan de verandering — in hun eigen woorden, vanuit hun eigen rol. Hang ze op. Bespreek: hoe verschillend zijn deze antwoorden? Bewegen we allemaal dezelfde kant op, ook al doen we het anders? Wat zegt dat over hoe breed de verandering al gedragen wordt? Neem hier ook andere disciplines in mee. Hoe denkt facilitair, IT of HR hierover?
Oefening: Wat leeft er al? (30 minuten, in een team)
Breng samen in kaart wat er in het team al aanwezig is dat aansluit bij de richting van de verandering: welke werkwijzen, gewoontes, waarden? Schrijf ze op. Bespreek: hoe kunnen we hierop voortbouwen in plaats van opnieuw te beginnen? Dit oefent het principe van aanhaken in plaats van aanleren.
Oefening: Een uitnodiging formuleren (30 minuten, in tweetallen of klein groepje) Kies een concrete verandering die speelt in jullie organisatie. Formuleer die verandering niet als opdracht of stappenplan, maar als uitnodiging. Wat is de richting? Welke ruimte is er voor eigen invulling? Deel de uitnodiging met elkaar en bespreek: voelt dit als iets waar je op in wilt gaan? Wat maakt het aantrekkelijk — of juist niet?
Oefening: Breng het speelveld in kaart
Denk aan het begin en gedurende de verandering na over hoe jullie speelveld. Wie zijn jullie bondgenoten (al enthousiast over de verandering of rugwindgevers), medestanders (positief over de verandering zolang het in hun eigen belang past), tegenstanders (mensen met weerstand) en vijanden (mensen die de verandering actief tegenwerken). Start met bondgenoten (zie oefening 6) en bedenk daarna hoe je de medestanders positief kan houden of zelfs tot bondgenoten kunt omvormen. En ga aan de slag met inzicht krijgen in de weerstand van de tegenstanders (zie ook blok 3 van het canvas). Het speelveld verandert in de tijd dus doe deze oefening regelmatig. Bedenk steeds wie je nodig hebt om succes te hebben.
Oefening 6. Formeer een eigen impactcoalitie
Formeer aan het begin een team van bondgenoten die graag met de verandering willen meedoen en ga aan de slag met het koerscanvas. Bouw gedurende de tijd in dat ieder teamlid ook weer een groep om zich heen verzamelt die geïnspireerd wordt om mee te doen.
Nudges (dagelijkse zetjes) om de principes van dit blok te oefenen
- Maak gelijkwaardigheid expliciet onderdeel van besluitvorming
Stel in overleggen standaard de vraag: “Wie van de familie/naasten is hierbij betrokken (of niet)?” Voeg deze vraag toe aan MT-agenda’s, casusbesprekingen en projectbesluiten. - Normaliseer familieparticipatie door voorbeeldgedragLeiders benoemen expliciet wat zij leren van familie en naasten.Start overleggen met een kort voorbeeld: “Wat heeft een naaste ons deze week laten zien of geleerd?”
3. Verschuif taal van ‘informeren’ naar ‘samen beslissen’
Pas beleids- en communicatietaal aan (bijv. “we betrekken familie” → “we beslissen samen”). Update formats, intranet en presentaties met deze taalwijziging.
4. Beloon voorbeeldgedrag, niet alleen resultaten
Waardering voor professionals die familie actief en gelijkwaardig betrekken.
Benoem dit expliciet in functioneringsgesprekken en teamwaarderingen.
5. Maak afwijking bespreekbaar in plaats van fout
Wanneer samenwerking met naasten lastig is, wordt dat gezien als leermoment.
Introduceer een vaste reflectievraag: “Wat maakte gelijkwaardig samenwerken hier ingewikkeld?”
- Begin elke casus met het perspectief van de familie/naaste
Het gesprek start niet bij het zorgplan, maar bij wat belangrijk is voor cliënt én naasten. Voeg een vast eerste kopje toe aan het zorgdossier: “Wat is voor cliënt en naasten belangrijk?” - Gebruik vaste uitnodigende vragen
Professionals gebruiken steeds dezelfde open vragen richting naasten.
Kaartje of checklist met vragen zoals:
– “Wat moeten wij echt weten om goede zorg te bieden?”
– “Wat gaat nu goed volgens u?” - Maak samenwerking zichtbaar in het dossier
Vastleggen wat is ingebracht door familie/naasten, niet alleen door professionals.
Apart veld in het zorgdossier: “Inbreng familie/naasten”. - Werk met ‘familie-ambassadeurs’ in het team
Eén of twee teamleden houden het thema levend. Zij verzamelen voorbeelden, signaleren knelpunten en delen successen in teamoverleg. - Reflecteer kort en frequent, niet uitgebreid en zelden
Kleine reflectiemomenten verlagen de drempel. Sluit elk teamoverleg af met één vraag: “Waar was samenwerking met familie deze week gelijkwaardig – en waar niet?” - Maak het makkelijk om het ‘zo te doen’
Het gewenste gedrag is eenvoudiger dan het oude.Kant-en-klare gespreksformats, uitnodigingsteksten en dossierteksten beschikbaar maken. - Deel verhalen, geen beleidsnotities
Praktijkverhalen verspreiden sneller dan richtlijnen. Korte interviews of quotes van familie en professionals op intranet of bijeenkomsten.
