Oefening 1. Het perspectief van de mantelzorger (45 minuten, in tweetallen)
Eén persoon is een mantelzorger, de ander een professional. De mantelzorger vertelt over de zorg voor zijn of haar naaste — wat goed gaat, wat zwaar is, wat hij of zij anders zou willen. De professional luistert alleen en stelt vragen — geen adviezen, geen oplossingen. Wissel daarna uit: wat verraste je? Wat hoorde je dat je normaal misschien zou missen? Wat neem je mee? Dit kun je eventueel ook doen met een collega die mantelzorger is (Geweest)
Oefening 2. Wie is er nog meer betrokken? (30 minuten, in een team)
Bespreek een casus uit de praktijk. Breng eerst in kaart: wie speelt er allemaal een rol in de zorg voor deze persoon? Teken het als een web. Bespreek dan: wie hebben we al betrokken? Wie nog niet? Wat zou het opleveren als we ook die stem zouden horen? Dit oefent het actief uitnodigen van informele zorg als volwaardige partij. Denk hierbij ook eens buiten de gebaande paden zoals clubs waar de cliënt in heeft gezeten, buren, oude vrienden etc
Oefening 3. Spanning uithouden (30 minuten, in een groep)
Beschrijf een situatie waarin wat een mantelzorger zegt botst met wat het protocol zegt. Bespreek: wat is de neiging? Wie of wat “wint” meestal? Wat zou er gebeuren als je de spanning laat bestaan en beide perspectieven serieus neemt? Is er een nieuwe oplossing te vinden waar beide partijen blij mee kunnen zijn? Oefen dit in een kort rollenspel en bespreek wat er verandert.
Oefening 4. Terugkijken op een gesprek (20 minuten, individueel)
Denk aan een recent gesprek met een mantelzorger. Beantwoord eerlijk: heb ik echt ruimte gegeven, of stuurde ik het gesprek? Heb ik gevraagd wat de mantelzorger nodig heeft — of alleen wat handig was voor het zorgplan? Wat zou ik de volgende keer anders doen? Hou ook rekening met het feit dat mantelzorgers ook de neiging hebben om in vaste patronen te denken (“De zuster heeft altijd gelijk”)
Nudges (dagelijkse zetjes) om de principes van dit blok te oefenen
- Stel de openingsvraag anders.
Begin een gesprek met: “Wat wilt u dat ik weet over uw situatie?” in plaats van meteen je eigen agenda te volgen. - Vraag actief wie er betrokken is.
“Wie helpt u nog meer?” Maak dit een vaste vraag — niet als formaliteit, maar uit echte interesse. - Luister zonder oplossing klaar te hebben.
Merk je dat je al aan het meedenken bent terwijl iemand nog praat? Stop. Luister eerst af. - Benoem wat je ziet.
“Ik merk dat dit veel van u vraagt.” Erkenning geven is iets anders dan een oplossing bieden. - Vraag naar de grens.
“Wat kunt u wel — en wat is te veel?” Mantelzorgers zeggen zelden zelf wanneer het te zwaar wordt. Vraag ernaar, maar waak ervoor dat je het niet invult. Vraag vooral ook naar de dingen waar ze energie van krijgen en graag willen doorzetten. Hou ook hier rekening met het feit dat dit in de loop van de tijd kan veranderen. Iets wat nu te zwaar is kan later mogelijk wel weer. - Check je aanname.
Voor een gesprek: welke aanname heb jij al over deze situatie? Klopt die wel? Ben je bereid iets anders te horen? - Geef de mantelzorger het laatste woord.
Sluit een gesprek af met: “Is er nog iets wat u kwijt wilt dat ik nog niet gevraagd heb?” - Houd de spanning even vast.
Als een familielid of collega iets zegt dat botst met jouw beeld: zeg niet meteen iets. Laat het even landen. Vraag door. Schiet vooral niet meteen in de oplossing. Als je de stilte leert verdragen zul je merken dat de meeste gesprekspartner zelf met een oplossing zullen komen. - Benoem de rol van de mantelzorger expliciet.
“U kent hem/haar het beste. Dat is waardevolle kennis.” Maak hun bijdrage zichtbaar. - Reflecteer na een gesprek.
Schrijf één zin op: wat heeft de mantelzorger mij vandaag geleerd dat ik zelf niet wist?
