Oefeningen over ‘Blok 3. Tegenwind en spanning’

Oefening: Het weerstandsgesprek (30–45 minuten, in tweetallen) 

Zoek iemand op die sceptisch is over een verandering. Ga het gesprek aan met één doel: begrijpen, niet overtuigen. Stel alleen vragen. Schrijf daarna op: wat vond deze persoon belangrijk? Welk risico zag hij of zij dat jij nog niet had gezien? Wat neem je mee?

Oefening: De weerstandskaart (45 minuten, in een team) 

Schrijf alle vormen van weerstand die jullie tegenkomen op post-its: uitspraken, gedrag, sfeer, wat er niet gezegd wordt. Hang ze op en zoek samen naar patronen. Wat zegt deze weerstand over wat mensen belangrijk vinden? Wat kun je aanpassen in het veranderplan?

Oefening: Argumenten parkeren (20 minuten, in tweetallen) 

Oefen een gesprek over een verandering waarbij je géén argumenten mag gebruiken. Je mag alleen vragen stellen en samenvatten. Wissel daarna uit: hoe voelde dat? Wat hoorde je dat je anders niet had gehoord?

Oefening: Terugkijken op een mislukte overtuiging (30 minuten, individueel of in duo) 

Denk aan een situatie waarin je iemand probeerde te overtuigen — en het niet werkte. Beantwoord: Wat deed ik? Wat deed de ander? Wat had ik kunnen vragen in plaats van zeggen? Wat vertelde de weerstand me eigenlijk?

Nudges (dagelijkse zetjes) om de principes van dit blok te oefenen 

  1. Pauzeer voor je reageert. Merk je weerstand op bij iemand? Wacht 10 seconden voor je iets zegt. Wat wil je eigenlijk weten?
  2. Stel de vraag achter de vraag. Als iemand bezwaar maakt, vraag dan: “Wat is voor jou het belangrijkste hierin?” Luister zonder te reageren.
  3. Schrijf op wat je hoort — niet wat je denkt. Na een gesprek met weerstand: noteer letterlijk wat er gezegd werd, zonder interpretatie.
  4. Let op wat er níet gezegd wordt. Wie zwijgt in de vergadering? Wat hangt er in de lucht? Schrijf het op.
  5. Benoem de weerstand hardop. Zeg: “Ik merk dat dit niet landt. Wat speelt er voor jou?” Maak het bespreekbaar in plaats van te omzeilen.
  6. In gesprek over het risico. “Waar ben je bang voor als het misgaat?” Laat het antwoord echt binnenkomen voor je verder praat.
  7. Herhaal wat je hoort. Vat samen wat iemand zegt zonder oordeel: “Dus als ik het goed begrijp, vind jij…?” Mensen voelen zich gehoord — en vullen aan.
  8. Zoek de betrokkenheid achter het bezwaar. Denk: waarom geeft deze persoon hier om? Wat zegt dat over wat hij of zij waardevol vindt?
  9. Pas één ding aan op basis van de weerstand. Laat zien dat je iets gehoord hebt door er iets mee te doen — hoe klein ook.
  10. Eindig een gesprek met: “Wat heb ik gemist?” Gooi het open. Vaak komt dan juist het eerlijkste antwoord.

Dagelijkse zetjes (nudges)

Hieronder vind je kleine nudges die je iedere dag, waar je ook bent, kunt doen. Samen of alleen.

1: “Wat zie ik écht?”

Moment: Tijdens het wachten (bijv. in de rij, op de bus)
Wat: Kies één object of persoon in je omgeving en beschrijf in je hoofd 5 specifieke kenmerken (vorm, kleur, textuur, houding, beweging).
Waarom: Train je observatievermogen en voorkom automatische oordelen.

2: “Wat ontbreekt hier?”

Moment: In een vergadering, gesprek of wanneer je een ruimte binnenkomt
Wat: Vraag jezelf af: “Wat valt op dat er níet is?” (Bijv. wat wordt niet gezegd? Wie zegt niks? Wat is er niet aanwezig?)
Waarom: Helpt je om niet alleen te focussen op wat zichtbaar is, maar ook op de context eromheen.

3: “Stap 3 stappen terug”

Moment: Tijdens een meningsverschil of verwarring
Wat: Visualiseer dat je letterlijk 3 stappen achteruit doet. Kijk dan in gedachten opnieuw naar de situatie, alsof je een buitenstaander bent.
Waarom: Verhoogt afstand en helderheid – je ziet meer dan vanuit je eigen positie.

4: “Laat de stilte vallen”

Moment: In een gesprek, net nadat iemand iets zegt
Wat: Wacht 3 seconden voordat je reageert. Laat ruimte. Observeer wat er gebeurt.
Waarom: Stilte nodigt uit tot verdieping — mensen vullen die vaak met iets wat ze anders niet zouden zeggen.

5: “Herhaal en toets”

Moment: Als iemand iets belangrijks vertelt
Wat: Herhaal kort in je eigen woorden wat je denkt dat de ander bedoelt: “Dus je zegt dat… klopt dat?”
Waarom: Laat zien dat je luistert én voorkomt misverstanden.

6: “Luister naar wat niet gezegd wordt”

Moment: Tijdens een gesprek waarin iemand zich terughoudend opstelt
Wat: Let op toon, lichaamstaal en wat iemand niet benoemt. Vraag vriendelijk door: “Wat houd je nog tegen om dit te delen?”
Waarom: Je leert luisteren met al je zintuigen — niet alleen naar woorden.

7. Helikopterview

  1. Doel: afstand nemen van de dagelijkse hectiek.
  2. Uitvoering: Vraag medewerkers om hun ogen te sluiten en zich voor te stellen dat ze in een helikopter boven de organisatie hangen. Wat zien ze als geheel? Welke verbindingen vallen op? Welke thema’s lijken belangrijker van bovenaf gezien dan in de details?

8. De Toekomstkrant

  • Doel: denken in een groter tijdsperspectief binnen een groep
  • Uitvoering: Laat de deelnemers een krantenkop bedenken alsof het 3 jaar later is. Bijvoorbeeld: “Onze zorgorganisatie vernieuwt de samenwerking met bewoners en mantelzorgers succesvol.”
    Bespreek in tweetallen wat er mogelijk gemaakt moest worden om die kop te realiseren.

9. Intuïtieve keuze

  • Doel: sneller leren vertrouwen op eerste gevoel.
  • Uitvoering: Stel een vraag met drie mogelijke richtingen (bijv. meer technologie inzetten, meer menskracht, of meer samenwerking extern). Laat medewerkers in 10 seconden hun eerste spontane keuze opschrijven. Daarna kort delen zonder rationalisatie: “Dit voelde meteen juist voor mij.”

10. Perspectiefwissel (eenvoudige versie)

  • Doel: empathie en context zien.
  • Uitvoering: Vraag: “Hoe kijkt een cliënt, een mantelzorger en een beleidsmaker naar deze verandering?” Laat iedereen één zin opschrijven vanuit elk perspectief. Vergelijk de verschillen in focus.

11. De Stiltecheck

  • Doel: ruimte geven aan innerlijke intuïtie.
  • Uitvoering: Eén minuut stilte, met de vraag: “Wat is volgens mij het belangrijkste dat we nu niet uit het oog mogen verliezen?”
    Daarna één woord of korte zin opschrijven. In een groep: woorden hardop rond laten gaan zonder toelichting. Het geheel laat vaak een groter patroon zien.

12. De Buitenstaander

  • Doel: een frisse blik krijgen op de verandering door afstand te nemen van de eigen rol.
  • Uitvoering (±5 min):
    1. Stel een concrete vraag over de verandering, bijvoorbeeld: “Hoe zorgen we dat cliënten zich gezien voelen tijdens dit traject?”
    2. Laat iedereen kiezen uit een rol van “buitenstaander” – bijvoorbeeld: een kind, een kunstenaar, een sportcoach of een journalist.
    3. Schrijf in 1 minuut op hoe die buitenstaander naar het vraagstuk zou kijken of wat hij/zij zou adviseren.
    4. Deel kort in duo’s of plenair de inzichten.
  • Effect: medewerkers stappen uit hun vertrouwde denksporen, zien nieuwe invalshoeken en voelen meer ruimte om op hun intuïtie te vertrouwen.

13. Symbolen en metaforen

  • Laat medewerkers een symbool of metafoor kiezen voor nieuwsgierig, empathie of moed.
  • Daarna: in kleine groepen delen en bespreken: hoe helpt dit beeld hen om in veranderprocessen bewust te kiezen voor een “open modus”?