Denk aan een situatie op het werk die niet loopt zoals je wilt. Beantwoord eerlijk de volgende vragen:
- Wat is hier het probleem?
- Wie of wat is daar volgens jou de oorzaak van?
- Wat heb jij zelf gedaan of nagelaten dat hieraan bijdraagt?
- Wat zou jij — ongeacht wat een ander doet — anders kunnen doen?
De kern van de oefening zit in de verschuiving van de derde naar de vierde vraag. Eigenaarschap begint niet met de vraag wie er schuld heeft, maar met de vraag wat jij kunt bewegen — ook als je niet de enige oorzaak bent.
Reflectievraag: Wat merk je als je de verantwoordelijkheid niet buiten jezelf legt, maar erbij blijft?
Kijk naar je team of organisatie en stel jezelf de vraag: welke functie wordt hier op dit moment niet vervuld?
Denk aan functies zoals:
- Richting geven of knopen doorhakken
- Verbinding maken tussen mensen of afdelingen
- Iets benoemen wat iedereen voelt maar niemand zegt
- Vertragen waar het te snel gaat
- Ruimte maken voor twijfel of vragen
Schrijf op welke functie je mist. Schrijf daarna op waarom jij die functie nog niet vervult. Wat houdt je tegen? Is dat een reële belemmering, of een aanname?Reflectievraag: Wat zou er veranderen als jij die functie — ook zonder formeel mandaat — op je zou nemen?
Iedereen heeft patronen die in bepaalde situaties automatisch aanspringen. Denk aan: de neiging om te controleren, te pleasen, te versnellen, te vermijden of juist over te nemen.
Stap 1 — Herken je patroon Denk aan een recente situatie waarin het niet liep zoals je wilde. Wat deed je? Welk patroon zie je daarin?
Stap 2 — Begrijp de functie Dit patroon is er niet voor niets. Wat beschermt het? Wat lost het op? Wat levert het je op — ook al werkt het niet altijd?
Stap 3 — Onderzoek de kosten Wat kost dit patroon jou? Wat kost het anderen? Welke functie in de situatie ondermijnt het?
Stap 4 — Kies bewust Wat zou je in die situatie kunnen doen als je even pauzeert en kiest — in plaats van reageert?
Reflectievraag: Kun je het patroon herkennen zónder het meteen te willen veranderen? Wat verandert er al als je het alleen maar ziet?
Kies een situatie die niet goed is gegaan — een project, een gesprek, een beslissing. Beantwoord de volgende vragen zonder jezelf te verdedigen of te veroordelen:
- Wat was mijn aandeel in hoe dit is gelopen?
- Wat wist ik, maar handelde ik niet naar?
- Wat voelde ik, maar zei ik niet?
- Wat had ik kunnen doen op het moment dat ik merkte dat het mis ging?
- Wat neem ik hieruit mee voor de volgende keer?
Dit is geen schuldoefening — het is een leerinstrument. Het verschil tussen schuld en eigenaarschap is dat schuld terugkijkt om te veroordelen, en eigenaarschap terugkijkt om te leren.
Reflectievraag: Wat zou je tegen een collega zeggen die precies hetzelfde had gedaan? Zeg dat ook tegen jezelf.
Dit is een oefening voor het moment zelf — in een vergadering, een gesprek of een team dat vastloopt.
Stel jezelf drie vragen:
- Wat vraagt deze situatie nu? — Niet wat jij gewoonlijk doet, maar wat er hier en nu nodig is.
- Wat is mijn neiging? — Wat wil ik automatisch doen?
- Helpt mijn neiging hier, of staat ze in de weg?
Op basis van die drie vragen kies je bewust: instappen, afwachten of ruimte maken voor een ander.
De oefening duurt dertig seconden. Maar die dertig seconden maken het verschil tussen reageren en leiden.
Reflectievraag: Hoe vaak per dag neem je die dertig seconden? Wat zou er veranderen als je dat vaker deed?
Deze oefening is bedoeld voor teams die merken dat vergaderingen oppervlakkig blijven of dat echte thema’s niet besproken worden.
Geef iedereen een vel papier. Stel de volgende twee vragen:
- Wat staat er op de agenda van vandaag?
- Wat staat er níet op de agenda, maar zou er wel op moeten staan?
Verzamel de antwoorden op de tweede vraag anoniem. Lees ze voor. Bespreek samen: waarom staan deze dingen niet op de agenda? Wat maakt het moeilijk om ze in te brengen?
Deze oefening maakt de onuitgesproken dynamiek zichtbaar — en geeft een team de kans om daar gezamenlijk eigenaarschap over te nemen.
Reflectievraag: Wie voelt zich verantwoordelijk voor wat er niet gezegd wordt? En wat zegt dat over hoe dit team samenwerkt?
Dagelijkse zetjes (nudges)
1. Zeg het hardop
De volgende keer dat iets niet loopt zoals je wilt, hou jezelf tegen als je het buiten jezelf legt. Zeg daarna — hardop of in gedachten — één zin die begint met: “Wat ik zelf kan doen is…” Niet als oplossing, maar als eerste stap terug naar eigenaarschap.
2. De drie seconden pauze
Voor je reageert in een gesprek of vergadering: tel drie seconden. Vraag jezelf af: reageer ik nu, of kies ik? Je hoeft niets anders te doen. Die pauze alleen al verandert de kwaliteit van wat je daarna zegt.
3. Één ding benoemen dat niemand zegt
In je volgende overleg: let op wat er in de ruimte hangt maar niet uitgesproken wordt. Spanning, twijfel, vermoeidheid, een olifant in de kamer. Zeg het — vriendelijk, zonder aanklacht. “Ik merk dat we ergens omheen draaien. Klopt dat?”
4. De eigenaarschapsvraag
Aan het einde van een dag of een meeting: stel jezelf één vraag. “Wat had ik kunnen doen dat ik niet gedaan heb?” Geen zelfkritiek — gewoon eerlijk kijken. Schrijf het op. Eén zin is genoeg.
5. Vraag om feedback met één zin
Kies vandaag één persoon en vraag: “Wat doe ik waardoor jij minder goed kunt werken?” Niet als kritiek, maar als echte uitnodiging. Luister zonder te verdedigen. Bedank de ander. Doe er iets mee.
6. Benoem je eigen patroon
Merk je dat je in een vergadering weer aan het overnemen bent? Of juist wegduikt? Zeg het — tegen jezelf of tegen de groep. “Ik merk dat ik de neiging heb om het over te nemen. Ik wil eerst horen wat jullie ervan vinden.” Bewustzijn uitspreken is al een vorm van leiding nemen over jezelf.
7. De twee-minutenbrief
Schrijf in twee minuten een brief aan jezelf als leider — niet als de leider die je bent, maar als de leider die je wilt zijn. Wat doet die persoon anders? Wat laat die persoon los? Wat pakt die persoon op? Bewaar hem. Lees hem volgende week.
8. Geef iets terug
Heb je een taak of beslissing naar je toe getrokken die eigenlijk bij iemand anders hoort? Geef het bewust terug — niet omdat je het niet wilt, maar omdat eigenaarschap bij de ander hoort te liggen. Zeg erbij waarom. “Dit is jouw beslissing, niet de mijne. Wat heb je nodig om hem te nemen?”
9. Eindig met een intentie
Aan het begin van je dag of voor een belangrijk gesprek: schrijf één zin op. Niet wat je wilt bereiken, maar hoe je aanwezig wilt zijn. “Vandaag wil ik meer luisteren dan sturen.” Of: “In dit gesprek wil ik ruimte maken in plaats van invullen.” Een intentie is geen garantie — maar het is een kompas.
